The Roots
Game Theory
Def Jam
Er zijn weinig bands of artiesten die zich na een carrière van meer dan vijftien jaar nog zo op het scherpst van de snede opereren als The Roots - niet in de popmuziek in het algemeen en al helemaal niet in de hiphop. Met Game Theory revancheert The Roots zich voor het wat minder indrukwekkende The Tipping Point (2004) en brengt Def Jam zijn meest alternatieve plaat sinds mensenheugenis uit.
De fout die veel 'live'-hiphopacts maken, is dat ze teveel respect hebben voor de conventies en tradities van wat ze als "echte" muziek beschouwen, en hiphop denken te kunnen verbeteren met imitaties van soul en funk. Dat zijn dan nota bene vaak mensen die The Roots als voorbeeld hebben. Het collectief onder leiding van drummer ?uestlove bestaat inderdaad uit uitmuntende muzikanten maar is tegelijkertijd nooit te beroerd om het mes in de eigen productie steken, op onverwachte momenten ongebruikelijke samples in te zetten en, met name sinds Phrenology (2001) de meer experimentele kant van de rock 'n roll op natuurlijke wijze te integreren in het groepsgeluid. Voortdurend wordt het muzikale avontuur opgezocht en toch leidt het geen moment twijfel dat we hier met hiphop van een zwaar kaliber te maken hebben, niet in de laatste plaats dankzij de superieure manier waarop frontman Black Thought de microfoon aan gort rapt.
Met The Roots kan je het onverwachte verwachten en Game Theory heeft een geheel eigen geluid. Het achtste album van de band uit Philadelphia is een compacte plaat (een dozijn nummer in ongeveer drie kwartier), veel ruimte voor gastvocalisten (zangers, zangeressen, dichters en rappers) en samples (Sly Stone en Radiohead bijvoorbeeld, niet toevallig twee ikonen van progressieve popmuziek) en een verbeten, sociale betrokkenheid in de zelfverzekerd flowende teksten van Black Thought. De nummers zijn ook heel knap aan elkaar verbonden. Vooral in de eerste helft van de plaat wordt je zo meteen het album ingezogen, hoewel Game Theory enigszins eigenaardig begint met jazz-dichter Wadud Ahmad in False Media. Alsof de galg op de hoes het al niet had aangegeven: dit is serieuze shit.
De gitaar van Capt Kirk (bandlid sinds vier jaar) opent het bandgeluid keer op keer voor melodieuze impulsen of rauwe energie en wat dat laatste betreft zit je goed bij het titelnummer: voordat je denkt dat The Roots een stelletje geitenwollensokkenbreiers zijn, herinneren Black Thought en Malik B (hij is weer in het land der levenden!) je even aan die grote motivatie: de paperchase. Een obscure Sly Stone-track in de sampler zet het drama nog wat aan. De funk staat centraal in de single Don't Feel Right, dat doordendert op een piano-akkoorden uit de kerk en waarin zangeres Maimouna Youssef de licht paranoïde sfeer goed uitdrukt. De energie trekt verder samen in het razendspannende In the Music, met een (bijna letterlijk) waanzinnig refrein van ene Porn, die helemaal bevangen is door de muziek. De beats slaan je om de oren en Capt Kirk zorgt, net als in het volgende Take it There, voor de diepte.
Er staan geen slechte nummers op Game Theory, maar niet allemaal klinken ze even spectaculair. Baby ontroert vooral op tekstueel niveau, zelden heb je een stoere rapper zo partij horen kiezen voor een vrouw die als oud vuil aan de kant is gezet en het nummer wordt nog sprekender als Black Thought het machismo binnen de hiphop aan de kaart lijkt te stellen: "Them stories too confusing." Het vrouwelijke geluid is explicieter aanwezig in Clock With No Hands met Mercedes Martinez van The Jazzyfatnastees (ouwerwetse neo-soul, de makers van You Got Me kunnen het heus nog!) en het slepende Atonement, waarin je naast Black Thought en de zangeres van J*DaVeY - "de zwarte Eurythmics" volgens hun MySpace-pagina - ook Thom Yorke van Radiohead kunt horen jammeren: een sample van de Amnesiac-cd. Het kan nog gekker: Livin' in a New World is een maf, Beck-achtig alternatief popnummertje van nog geen twee minuten met een gekreund refreintje en Black Thought die door een gitaarvervormer lijkt te rappen.
De eerder dit jaar overleden J Dilla, met wie The Roots al op Things Fall Apart (1999) samenwerkten, leidt het album in met een zweverig melodietje van een halve minuut en krijgt een grandioos eerbetoon in afsluiter Can't Stop This. De track is gebaseerd op Time: the Donut of the Heart van Dilla's Donuts, een almaar repeterende, hartverscheurende gitaarmelodie. Als Black Thought na een minuut of vier klaar is, slaat het nummer om in spookachtige dubfunk met een serie voice-mailberichten waarin de "Muhammad Ali of beats" postuum bewierookt wordt. Dat duurt een beetje lang en het haalt de balans uit Game Theory als album maar een kniesoor die daar in dit verband een punt van maakt. The Roots trekken hun eigen lijn en zolang ze dat op dit niveau doen, geven ze iedereen het nakijken.